CO2 en de oceanen

Het belang van oceanen als koolstofput is niet te onderschatten. De in de atmosfeer aanwezige CO₂ wordt voor een deel omgezet in O₂ (zuurstof), en dit voornamelijk door twee uiterst belangrijke ecologische systemen: de bossen (en dan vooral het tropisch regenwoud) en de oceanen. Het in de oceaan aanwezige fytoplankton neemt hierbij meer dan de helft van de CO₂-opname en O₂-productie voor zijn rekening!

Het Broeikaseffect

Het broeikaseffect is in oorsprong een natuurlijk fenomeen. Broeikasgassen vormen een dekentje in de atmosfeer, waardoor de aarde een deel van haar warmte krijgt teruggekaatst. Hierdoor is het op aarde gemiddeld ± 30°C warmer (+ 15°C) dan als er geen broeikaseffect zou bestaan (- 18°C). Broeikasgassen komen in de atmosfeer terecht via allerlei natuurlijke processen, zoals ademhaling van dieren én planten, ontbinding van dood materiaal, bosbranden, vulkaanuitbarstingen, enz.
Het probleem is dat, sinds het begin van de industriële evolutie, de mens een grote hoeveelheid extra broeikasgassen (vooral CO₂ of koolstofdioxide) is beginnen uitstoten, voornamelijk door de verbranding van fossiele grondstoffen. Hierdoor is intussen de gemiddelde temperatuur op aarde gestegen met ± 0,6°C. Deze temperatuurstijging heeft, samen met de concentratie aan broeikasgassen, een exponentieel verloop. Om de gevolgen van de klimaatverandering enigszins beperkt te houden, mag de temperatuurstijging de grens van 2°C ten opzichte van het pre-industriële niveau niet overschrijden

Gevolgen

Indien er – zoals dit momenteel het geval is – teveel CO₂ in de atmosfeer terecht komt, heeft dit twee belangrijke gevolgen voor de oceanen. Enerzijds worden de oceanen warmer. Zij volgen hiermee de algemene trend van opwarming als gevolg van het broeikaseffect. Anderzijds worden de oceanen zuurder. De overmaat aan CO₂ uit de lucht bindt met het water (H₂O) van de oceaan, en vormt aldus een zuur (H₂CO₃ of diwaterstofcarbonaat).

De opwarming en verzuring van de oceanen heeft gevolgen voor zowel de flora en fauna in en rondom de oceanen als voor de mensen. Hier volgen enkele voorbeelden. 

  • Door de opwarming van het zeewater zijn vele soorten vissen en zeezoogdieren verplicht om naar koudere wateren te trekken op zoek naar voedsel. Andere van de oceaan afhankelijke diersoorten, zoals de pinguïn en de weddelzeehond,  vinden minder eten, omdat de voedselketen verstoord geraakt (minder plankton→minder weekdieren→minder vissen).
  • Door het smelten van het pakijs moeten ijsberen verder zwemmen om eten te vinden en komen de jongen van zeehonden en walrussen te vroeg in het water terecht.
  • Door de opwarming van het water en het smelten van het pakijs stijgt het zeeniveau. Hierdoor verliezen bepaalde diersoorten hun habitat (bv. de Bengaalse tijger) of vinden zij geen geschikte nestplaatsen meer (bv. de zeeschildpad). De stijging van het zeeniveau heeft ook desastreuze gevolgen voor mensen die leven op laaggelegen eilanden en kustgebieden.
  • Door de verzuring van het zeewater worden de kalkskeletten van weekdieren aangetast. Hierdoor komt het voedselaanbod van vele vissen, zeezoogdieren en zeevogels in het gedrang.
  • De verzuring van het zeewater tast tevens de kalkskeletten van de koralen aan. Koralen zijn bovendien heel gevoelig voor temperatuurstijging van het zeewater. Hierdoor sterven wereldwijd koralen in snel tempo af. Dit heeft op zijn beurt schadelijke gevolgen voor de vissen die er afhankelijk van zijn en voor de mensen die deze vissen vangen.
  • Als gevolg van de opwarming van het klimaat worden kust- en eilandbewoners  tevens meer en meer geplaagd door heviger stormen en cyclonen.

Oplossingen

Het spreekt voor zich dat hier een belangrijke taak is weggelegd voor de politieke leiders van de landen, die tot sluitende en krachtige internationale akkoorden dienen te komen om de mondiale CO₂-uitstoot terug te dringen. Maar toch kunnen wij hiertoe ieder voor zich ons steentje bijdragen, want vele kleintjes maken een groot.  We kunnen zowel werken aan het beperken van onze eigen CO₂-uitstoot, als aan het beschermen van de natuurlijke ecosystemen die CO₂ opnemen, met name de bossen en de oceanen.

Bij het beperken van onze eigen CO₂-uitstoot kunnen we denken aan:

  • onze verplaatsingen zoveel mogelijk te voet, met de fiets of met het openbaar vervoer uit te voeren;
  • eerder met de trein op reis te gaan dan met het vliegtuig;
  • minder vlees te eten. In de intensieve veeteelt worden immers grote hoeveelheden broeikasgassen uitgestoten;
  • in de winkel uit te kijken naar biologische, streek- en seizoensproducten;
  • zuinig te zijn met energie en gebruik te maken van groene stroom;
  • een verstandig en duurzaam consumptiepatroon te ontwikkelen.

Bij het beschermen van de natuurlijke ecosystemen die CO₂ opnemen, denken we ondermeer aan:

  • enkel hout aan te kopen dat voorzien is van een duurzaamheidslabel (vb. FSC);
  • minder vlees te eten. Enorme oppervlaktes tropisch regenwoud worden tegenwoordig immers gekapt om plaats te maken voor plantages van soja, dat dienst doet als veevoeder;
  • minder vis te eten. De uitwerpselen van vissen zijn immers rijk aan kalk, wat een neutraliserende werking heeft op de verzuring van het zeewater;
  • lid te worden van een natuurbeschermingsorganisatie die actie voert voor de bescherming van het (tropisch) regenwoud en de oceanen.

website by Studio Enden