Gezondheid

De meest voorkomende gifstoffen of contaminanten in het mariene milieu zijn dioxines, dioxineachtige pcb’s, zware metalen zoals kwik en cadmium en brandvertragers. De meeste van deze stoffen komen door industrie in het milieu terecht. Sommige stoffen komen ook in mindere mate in de natuur voor. Er zijn inmiddels heel wat studies gedaan naar de gevolgen van deze gifstoffen op de menselijke gezondheid. Het probleem is dat er uit praktische overwegingen meestal alleen gekeken wordt naar de impact van de individuele gifstoffen of één enkele groep van stoffen en niet naar de impact van de interactie tussen deze stoffen. Toxicologen bevelen aan om ook de effecten van combinaties van contaminanten (gifstoffen) op de gezondheid van de mens te gaan onderzoeken. Hier weten we eigenlijk nauwelijks iets van.

Mensen nemen op een leven heel wat dioxines op. 95-98% daarvan komt het menselijk lichaam binnen via de voeding. De dioxines zitten vooral in dierlijke producten en binnen die groep vooral in vis. Het grootste probleem van dioxines is hun hoge chemische stabiliteit. Wanneer ze zich eenmaal in een levend organisme hebben genesteld, blijven de dioxines er heel lang zitten. Zij stapelen zich op in de voedselketen en hoe verder we ons dus in de voedselketen bevinden, hoe hoger de concentratie dioxines. De meest kwetsbare personen zijn zwangere vrouwen en pasgeborenen. In tegenstelling tot wat vaak beweerd wordt, zal men zwangere vrouwen moeten afraden om vette vis te eten. In de huidige Europese richtlijn voor onder meer de maximale hoeveelheid dioxine die de mens mag consumeren, staat dat vooral vis veel giftige dioxine bevat: twintig keer meer dan vlees en melk, en tien keer meer dan eieren.

Vooral vette wilde vis bevat veel meer gifstoffen dan magere vis of vis onderaan de voedselketen. Vaak gaat het om carcinogene stoffen, die bij veelvuldige consumptie voor een lange tijd kanker kunnen veroorzaken. Onderzoek aan de Universiteit van Gent toonde aan (2008) dat ongeveer 50% van alle pcb’s, dioxines en dioxineachtige pcb’s in ons lichaam afkomstig zijn van vis en andere zeedieren, terwijl maar 1-2% van al het voedsel dat we eten hieruit bestaat. Volgens het Nederlandse Voedingscentrum is het Belgische onderzoek niet correct en zou 'maar' 12% van alle dioxines in het voedsel van de Nederlander via vis in het voedsel van de Nederlander via vis in het lichaam komen.

Hoewel voor de meeste gifstoffen geldt dat de gemeten hoeveelheden in vis onder de door Europa gestelde toegestane limiet zitten, is er nauwelijks onderzoek gedaan naar de effecten van de optelsom van de vaak tientallen gifstoffen in vis. Hoe vetter de vis, hoe meer gifstoffen de vis bevat. Dit komt omdat vele gifstoffen lipofiel zijn. Dit betekent dat zij zich in het vetweefsel nestelen. Ook de positie in de voedselketen bepaalt hoe giftig een vis is. Roofvissen, zoals tonijn, zwaardvis en haai, bevatten meer gifstoffen dan kleine visjes aan de basis van de voedselketen.
Toch wordt vaak gezegd dat het eten van vette vis belangrijk is vanwege de vetzuren die zij bevatten. Deze Omega-3 vetzuren maken de vissen echter niet zelf, maar krijgen zij binnen met hun voedsel en tijdens de ademhaling via hun kieuwen. Het betreft Omega-3 bevattende eencellige planktonalgen. Daar men op steeds grote schaal deze algensoorten kweekt voor de Omega-3 derivaten (EPA en DHA) die daar in zitten, hoeft men dus geen vis te eten om Omega-3 binnen te krijgen. Overigens bevatten veel andere plantaardige producten ook de moedervorm van Omega-3, Alfalinoleenzuur (ALA), zoals postelein, walnoten, lijnzaad(olie) en koolzaad(olie).

website by Studio Enden